Het aantal corporatiewoningen dat wordt toegewezen aan statushouders is in 2024 nauwelijks gestegen, blijkt uit cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS).
Ruim 8 procent van alle corporatiewoningen die in 2024 vrijkwamen, werd toegewezen aan huishoudens met een of meerdere statushouders. Het gaat om ruim 13.000 woningen, ongeveer evenveel als een jaar eerder.
Onder starters is het aandeel statushouders wel fors hoger. In 2024 was 21 procent van de starters die in een vrijgekomen corporatiewoning gingen wonen statushouder.
"Dat aandeel is al een paar jaar constant", zegt CBS-demograaf Ruben van Gaalen. "Maar in vergelijking met langer geleden is wel een toename zichtbaar. In 2018 was het percentage bijvoorbeeld 9, een stuk lager."
De cijfers over 2024 zijn de recentste gegevens. De koepel van woningcorporaties, Aedes, heeft recentere cijfers, maar dat zijn schattingen.
Statushouders vaker starter
Het CBS onderzocht zowel de totale groep statushouders, als de groep statushouders onder de starters. "Dat zijn mensen die voor het eerst een woning krijgen in Nederland", zegt Van Gaalen. "Daarnaast zijn er ook statushouders die doorstromen, van de ene naar de andere woning. Zij laten dan meestal een woning achter, waar iemand anders in kan wonen."
Die groep starters werd de afgelopen jaren groter. In 2024 was 67 procent van de huishoudens met een statushouder starter op de woningmarkt. In 2023 was dat 64 procent.
Hoeveel woningen gaan er écht naar statushouders?
In de politiek was de afgelopen jaren regelmatig discussie over hoeveel sociale huurwoningen er naar statushouders gaan. Sommige politieke partijen haalden daarbij de cijfers van het CBS aan, terwijl andere partijen veel hogere percentages noemden.
Die cijferdiscussie draait vooral om de vraag of je naar alle sociale huurwoningen kijkt die naar statushouders gaan of alleen naar 'starterswoningen'.
Het CBS keek in dit onderzoek naar alle sociale huurwoningen.
Dat er onder de starters op de woningmarkt vaker statushouders zijn, komt volgens Van Gaalen doordat er nog altijd achterstanden worden ingehaald. "In 2015 en 2016 was de asielinstroom in Nederland heel hoog. Veel statushouders moesten daardoor lang op een woning wachten."
Tijdens het wachten verbleven zij in een tijdelijke opvanglocatie. Als zij daarna een woning kregen toegewezen, lieten ze dus geen woning achter.
Dat is ook terug te zien in de cijfers van het CBS. Bij 16 procent van de huishoudens met een statushouder kwam er een woning vrij na hun verhuizing. Bij huishoudens zonder statushouders was dat ruim de helft. Daarnaast verhuisde bijna een vijfde van de huishoudens met een statushouder uit een woning waarin andere bewoners achterbleven.
Regionale verschillen
De meeste corporatiewoningen gingen in 2024 naar eenpersoonshuishoudens. Ook statushouders die een corporatiewoning betrekken wonen vaker alleen.
Hoeveel corporatiewoningen aan statushouders werden toegewezen verschilt per regio. In Flevoland was het aandeel met 12 procent het hoogst. Ook in de regio Gooi en Vechtstreek en Utrecht gingen naar verhouding veel corporatiewoningen naar statushouders.
Of dat ook betekent dat de wachtlijst voor een corporatiewoning daar langer was dan op andere plekken kan het CBS niet zeggen. "Je kunt met de landelijke cijfers niet exact berekenen hoeveel langer mensen moeten wachten", zegt Van Gaalen. "Dat hangt bijvoorbeeld ook af van hoeveel corporatiewoningen en woningzoekenden er in een gemeente zijn en in hoeverre mensen doorstromen."
Te weinig woningen
Wanneer vluchtelingen een verblijfstatus krijgen in Nederland, hebben ze ook recht op huisvesting. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor het regelen van die woningen.
Volgens hoogleraar woningmarkt Peter Boelhouwer maken ze daar regelmatig afspraken over met wooncorporaties. In overleg met de gemeente wijzen sommige wooncorporaties een deel van hun woningen toe aan zogenoemde urgente gevallen, die dan met voorrang een woning krijgen. Dat zijn bijvoorbeeld mensen die door ziekte niet in hun huidige woning kunnen blijven of mensen van wie de woning gesloopt wordt. Of bijvoorbeeld statushouders.
"De laatste jaren zijn er steeds meer groepen onder de urgentiecategorie gaan vallen", zegt Boelhouwer. "Wooncorporaties willen tegelijkertijd voorkomen dat de voorrangsgroep zo groot wordt, dat reguliere woningzoekenden heel lang moeten wachten. Daardoor moeten gemeenten steeds vaker zelf op zoek naar huisvesting voor statushouders."
Door de krappe woningmarkt lukt dat volgens Boelhouwer lang niet altijd. Dat betekent dat er nog altijd veel mensen met een officiële verblijfstatus in Nederland in een tijdelijke opvanglocatie wonen. "Dat verhoogt de druk op die locaties, die eigenlijk bedoeld zijn voor mensen die nog geen verblijfstatus hebben", zegt Boelhouwer.